CHRISTUS NEEMT BIRGITTA TOT BRUID EN GEEFT HAAR VERMANINGEN.
EERSTE BOEK, KAP. 2.

Ik ben de Schepper van hemel an aarde en zee en van alles wat er is. Ik ben éen met den Vader en met den Heiligen Geest, niet als een god van steen of van goud, zooals men vroeger had, niet meerdere goden, zooals er toen geteld werden, maar éen God, Vader en Zoon en Heilige Geest, drievoudig in personen en éen in de goddelijke natuur, alles scheppend en door niemand geschapen, nooit veranderlijk, noch vergankelijk, maar almachtig, voortlevend zonder begin en zonder einde.

Ik ben degene, die uit de Maagd geboren is, zonder mijne godheid te verliezen, maar de godheid vereenigend met de menschlijke natuur, zoodat ik zou zijn in éen persoon de ware zoon Gods en de zoon der Maagd. Ik ben degene, die aan het kruis hing en stierf en begraven werd, zonder de godheid te verliezen. En hoewel ik stierf als mensch en naar het vleesch, dat ik, de Zoon, alleen heb aangenomen, toch bleef ik leven in de godheid, waarin ik met den Vader en den Heiligen Geest éen God was.

Ik ben dezelfde, die uit de dooden opstond en ten hemel opsteeg, die nu tot u spreekt met mijn geest. Ik verkoos u, en ik nam u tot mijn bruid, opdat ik u toonen zou en door u aan de wereld zou doen verkondigen mijne goddelijke geheimen, omdat het mij aldus behaagt. Gij zijt ook met recht de mijne geworden, omdat gij bij den dood van uw echtgenoot heel uw wil in mijn handen hebt overgegeven, en toen hij gestorven was, er over dacht hoe gij ter wille van mij arm zoudt willen worden en er ook om gebeden hebt. Daarom zijt gij met recht de mijne geworden. En daarom vond ik het voor zoo groote liefde passend om voor u te zorgen. En daarom neem ik u tot mijn bruid om met u dat geestelijk genot te smaken dat alleen door God genoten mag worden en een kuische ziel.

Daarom past het de bruid gereed te zijn, als de bruidegom bruiloft houden wil en eerbiedig, zedig en rein te zijn. Goed gereinigd wordt gij, als gij steeds indachtig zijt hoe ik u reinigde van Adams zonde door het doopsel en hoe vaak ik lankmoedig en geduldig met u geweest ben, wanneer gij in zonde vervielt. De bruid moet ook het teeken van haar bruidegom in haar borst dragen, dat is de weldaden die ik u bewees betrachten en opmerken, namelijk hoe edel ik u schiep, door u lichaam en ziel te geven, hoe heerlijk rijk ik u maakte door u gezondheid te schenken en aardsche goederen, hoe teeder en liefderijk ik u verloste, toen ik voor u stierf en u het koninkrijk der hemelen weer als erfdeel gaf, indien gij het hebben wilt. De bruid moet ook den wil van den bruidegom doen. En wat is mijn wil anders, dan dat gij mij boven alles lief zult hebben en niets anders bezitten wilt buiten mij.

Ik schiep alles ter wille van den mensch en maakte hem alles onderdanig. Maar hij heeft alles lief behalve mij en haat niets behalve mij. Voor de tweede maal kocht ik hem zijn erfdeel, dat hij door de zonden verloren had. Maar hij is zoover afgedwaald en zoo onverstandig dat hij de vergankelijke eer, die niets anders is dan het bruis of schuim der zee, dat zich een oogenblik tot berg verheft maar terstond verdwijnt en vervliegt, verkiest boven de eeuwige eer, die een eeuwigdurend goed is.

Daarom mijn bruid, indien gij buiten mij niets begeert en alles ter wille van mij veracht, niet alleen kinderen en ouders, maar ook eer en rijkdommen, zal ik u het kostbaarste en heerlijkste loon schenken. Geen goud of zilver, maar mij zelf: den koning der glorie, zal ik u tot belooning en tot bruidegom geven. Maar schaamt gij u om arm en versmaad te zijn, bedenk dan, hoe uw God u voorging, door dienaren en vrienden in de wereld verlaten; want ik zocht geen vrienden voor deze wereld, maar voor den hemel. Indien gij nu bevreesd zijt voor de moeite en last van arbeid en ziekte, bedenk dan hoe pijnlijk het is om in het vuur te branden. Bedenk dan wat gij verdiendet, indien gij een wereldschen meester zoo vergramd hadt en beleedigt als gij mij beleedigd hebt.

Want hoewel ik u liefheb met heel mijn hart, zou ik toch niet, in geen enkel opzicht en ook niet in het allerminst onrechtvaardig zijn, indien ik het geheele lichaam boeten liet, voor wat het lichaam misdreven had. Maar wegens uw goeden wil en omdat gij van plan zijt uwe zonden te beteren, verander ik rechtvaardigheid in barmhartigheid, en scheld u zware straf kwijt ter wille eener geringe beterschap. Ontvang dan, (wat ik u aanbied) en neem het gaarne aan, en verdraag wat moeite en last, opdat gij, aldus gereinigd van zondern, spoedig een groot loon moogt verkrijgen. Want de bruid moet zich met den bruidegom in den arbeid vermoeien, opdat zij met des te meer vertrouwen met hem moge uitrusten.