|
Ik ben uw Schepper en uw Heer. Antwoord mij op drie vragen, die ik u doen zal. Hoe is de toestand in het huis, waar de huisvrouw als vrouw gekleed is en haar echtgenoot als slaaf? Zou dat welvoeglijk zijn?” Zij antwoordde volgens haar geweten: “Neen, Heer, betamelijk is het niet.”
Onze Heer zeide: “Ik ben aller dingen Heer en koning der engelen, ik kleedde mijn dienaar, d.i. mijn menschelijke natuur, slechts in zoover het nuttig en noodig was. Ik zocht, of verlangde in deze wereld niets anders dan eenvoudigen kost en eenvoudige kleederen. Maar gij, die mijn bruid zijt, gij wilt vorstelijke rijkdommen en roem bezitten en met eer behandeld worden. Waartoe dienen al deze dingen? Zij zijn voorzeker alle vergankelijk, en wij laten ze hier achter. De mensch was niet geschapen om overvloed te genieten, maar om te bezitten alleen wat de natuur vereischt. Maar de hoogmoed schiep den overvloed, die nu bemind wordt en als wet beschouwd.
Ten tweede zeg mij, zou het passend zijn dat de man werkt van den morgen tot den avond en de vrouw in een kort oogenblik alles verkwist?” Zij antwoordde: “Betamelijk is het niet. De vrouw zal leven en deon volgens den wil van den man.” Onze Heer zeide: “Ik deed als de man, die werkte van den morgen tot den avond, want ik werkte van mijn jeugd tot aan mijn lijden. En ik wees en toonde den weg naar het hemelrijk en bekrachtigde door mijn daden het woord dat ik predikte. En de vrouw, dat is de ziel, die zijn moest als mijn vrouw, verkwist de opbrengst van mijn werk, als zij lichtzinnig leeft, zoodat zij geen nut trekt uit wat ik gedaan en geleden heb ter wille van haar. En ik vind in haar geen deugd, waarin ik mij met haar verheugen kan.
Ten derde zeg mij: Als in een huis de heer geminacht en de slaaf geacht wordt, is dat niet ongepast in misplaatst?” Zij antwoordde: “Dat is het inderdaad!” Onze Heer antwoordde: “Ik ben de Heer aller dingen; mijn huis is de wereld en de mensch moest terecht mijn dienaar zijn. Maar ik, die de Heer ben, werd in de wereld geminacht en de mensch geëerd. Daarom zult gij, die ik uitverkoor, uw best doen om mijn wil te volvoeren, want alles, wat is in de wereld, is als het schuim der zee en wat even ijdel is.
|