| AAN GUSTAF TUNASON STURE. |
| VIERDE BOEK, KAP. 34. |
|
De bruid van Christus zeide: Het is alsof ik mannen zie die touw draaiden. Sommigen maakten paarden gereed, anderen smeedden tangen, en weer anderen richtten galgen op. Toen ik deze dingen zag, verscheen mij een maagd die bedroefd scheen en treurende en mij vroeg, of ik dit begreep. En toen ik antwoordde, dat ik het niet begreep, zeide zij tot mij: “Al deze dingen, die gij ziet, verbeelden het geestelijk lijden, van iemand, die gij kent.
|
| VERKLARING. |
| Deze man van wien hier sprake is, was maarschalk. Hij kwam naar Rome met zooveel boetvaardigheid en ootmoed, dat hij blootshoofds naar vele Kerken ging, God biddend, en anderen verzoekend voor hem te bidden, dat hij niet naar zijn vaderland mocht terugkeeren, opdat hem niet gebeuren zou dat hij wellicht weer in zijn vroegere zonden herviel. God verhoorde dit gebed en die stem, zoodat hij stierf in Monte Fiascone, toen hij Rome verliet, en waarvan Onze Heer later zeide tot de H. Birgitta: “Zie dochter, wat mijn barmhartigheid deed en wat een goede wil doet. Deze ziel was in de klauwen des duivels, maar de goede wil ontrukte hem aan diens tanden, zoodat hij nu op weg is naar het hemelrijk en al het goede deelachtig wordt, wat in de heilige Kerk gedaan wordt.” |