|
UIT : DE VIER GEBEDEN
“HET DAGELIJKSCH GEBED” |
| Voorwoord |
|
Na den dood van haren echtgenoot was de H. Birgitta zoo zeer in godvruchtige gebeden verzonken en weende zulke bittere tranen, dat zij bijna heel den nacht waakte. En zij ontzag haar lichaam niet, maar kastijdde het voortdurend en wierp zich gestadig op de knieën. Na verloop van eenigen tijd bad zij er steeds om dat een geschikte wijze van bidden haar geopenbaard zou worden.
|